Make your own free website on Tripod.com
Het taaie ongerief van Guus Luijters

Een pantalon voor de jongeheer

Ik ben van 1943. Mijn eerste herinneringen stammen uit het voorjaar van 1945. Erg opwindend zijn ze niet. Als prominent lid van het kleuterverzet kreeg ik de lekkerste tulpenbollen te eten en ook op het gebied van kleding had ik weinig te klagen. Door mijn oma gebreide broeken met galgjes, een stevige jopper, degelijk, warm en onopvallend, want het was natuurlijk niet de bedoeling de aandacht van de bezetter op mij te vestigen. Niet dat de kans groot was dat ik bij arrestatie de namen van de andere leden van het kleuter- en peuter verzet zou prijsgeven, maar toch.
Het eerste jaar na de bevrijding droeg ik de blauwe overall van de Binnenlandse Strijdkrachten en in de zeven jaar die volgden dezelfde kleren als mijn vriendjes, d.w.z. in de zomer een korte broek met een bloes en kaplaarzen, en in de winter een soort trainingsbroek met een bloes en trui, kaplaarzen en een bonkertje.
Van kaplaarzen kreeg je zweetvoeten, maar dit terzijde. In de koude winter van 1948 moesten we allemaal een pet met kleppen op. De culinaire eetdeskundige van Het Parool -lees die krant - heeft nog wel eens zo'n pet op geloof ik.
Zolang het boven de min tien was, zaten de kleppen opgeklapt op je pet. Met een drukkertje. Als het kouder werd kon je ze omlaag klappen, zodat je oren niet bevroren.
Als je in de koude winter van 1948 aan de brugleuning likte, vroor je tong vast, ook dit terzijde.
Mijn vader was arbeider. Hij deed iets met ijzer. Bij de Fokker aan de overkant van het IJ. Hij werkte van half acht 's morgens tot half zes 's avonds en op zaterdag tot een uur. In 1953 verdiende hij, zoals uit zijn loonstrookje blijkt, f 81, 25 in de week.
Dat was niet veel, maar niet weinig.
Omdat mijn moeder geen margarine lustte, aten we nooit boter, maar ik kreeg ieder voorjaar een nieuwe korte broek en een bloes en een paar kaplaarzen, net als al mijn vriendjes. En ieder najaar een soort trainingsbroek met een bloes en een trui en bonkertje. En in de koude winter van 1948 een pet met kleppen.
Toen kwam mijn vader te werken bij de Monroe, een Amerikaanse telmachine-fabriek, waar hij f 685 in de maand ging verdienen. Vanaf dat moment braadde mijn moeder iedere zondag kip in de boter, wat best lekker was. Minder was weer, dat ze het zonde vond de jus weg te gooien, zodat de woensdagse adijvie met gehakt met kippenjus op tafel kwam.
Mijn kleren kwamen van Nieuw Engeland, een herenmodezaak op het Koningsplein. Tegenwoordig zit daar een soort boekwinkel en een in kant en klaar voedsel gespecialiseerde Mensenvriend. Als je bij Nieuw Engeland binnenkwam stond er een man in een driedelig pak die vroeg wat je wenste. Als mijn moeder hem dat had uitgelegd, zei hij: 'Een pantalon voor de jongeheer.'BR> Mijn met teddy gevoerde windjack was van MCGregor. Mijn bloes heette een overhemd en kwam van Arrow. Mijn broeken waren van kamgaren en mijn schoenen van Mohawk of Clark.
God, wat heb ik een heimwee naar mijn kaplaarzen gehad.'